Spannende stedebouw

StadsLab presenteerde het boek Spring Breda. Het is een mooie bloemlezing van interviews en redactionele stukken geworden, over de stedelijke ontwikkeling van Breda. Een boek dat discussie oproept. Er staan meerdere oproepen in dat Breda wel wat spannender mag, dat de stedebouw te saai is. Wat is dat dan, spannende stedebouw?

Stedenbouw of stedebouw

De huidige voorkeurspelling schrijft stedenbouw voor, toch hou ik vast aan de oude spelling. De taalkundigen hebben niet begrepen dat een n verschil een geheel andere betekenis geeft aan een beroepsgroep. Met stedenbouw ben je bezig te bouwen aan steden of een stad. Stedebouw komt van het bouwen van een stede, een plek. Een veilige plek, een plek voor mensen om te verblijven. De optelsom van die plekken vormt de stad of het dorp. Het is juist dat oog voor detail en voor de gebruikers wat het verschil maakt.

Typisch Breda

De stedebouwkundige structuur van de stad draagt bij aan haar karakter en herkenbaarheid. Dat geldt niet alleen voor de binnenstad en andere delen waar de openbare ruimte intensief wordt gebruikt. Het geldt ook voor de woonwijken. Opvallend aan Breda is dat er veel grondgebonden rijwoningen staan, uit verschillende perioden. In de jaren ’50 en ’60 zijn veel portiekflats gebouwd, in stroken met groen er tussen. In meer recente wijken, van na 2000 is de jaren-dertig-woning heel populair, vooral als tweekapper. Deze typologieën herhalen zich eindeloos en dan wordt het saai. Werd in de échte jaren ’30 in wijken als Belcrum, Oud Boeimeer en Zandwijk met veel variatie en oog voor detail gebouwd, de kopie jaren-dertig-woning uit deze eeuw is een eenheidsworst.

Wat hebben we nog niet? Opvallend is dat de meest voorkomende typologie in steden bijna ontbreekt in Breda: het gesloten bouwblok. Deze stedebouwkundige structuur is bijvoorbeeld kenmerkend voor Amsterdam in de periode van grofweg 1900 tot 1960. Een gesloten bouwblok is veelal in een keer gebouwd en heeft daarmee eenduidige architectuur en materialen. Het bestaat uit gestapelde woningen, vaak met portiekontsluiting, soms met galerijen. Op de begane grond is ruimte voor buurtwinkels, bedrijfjes of horeca.

Wat aantrekkelijk is aan het gesloten bouwblok is dat de drukte van de stad niet doordringt tot het binnengebied. Daar ontstaat een weldaad van rust met private of gezamenlijke tuinen en balkons. De slaapkamers zitten vaak aan deze kant van het blok. Een bijzondere variant vinden we in Barcelona. De Catelaanse stedebouwkundige Cerdà bedacht dat het slimmer was om de hoeken van de blokken af te snuiten. Daarmee ontstaan kleine pleintjes, waar zich dan de horeca of winkels concentreren. Het levert bovendien beter indeelbare hoekwoningen op.

Wat is spannend?

In de Haagse Beemden is destijds geëxperimenteerd met een heel andere vorm van stedebouw. Geen rechte straten meer, maar patronen die lijken op organisch gegroeide oude steden en dorpen. Er moest meer te beleven zijn en de auto werd de te weren gast op het woonerf. Heeft dit dan een spannend stuk stad opgeleverd? Daar valt wel iets op af te dingen. Door een gebrek aan menging van wonen, werken en winkels is het overdag een dooie bedoeling in de Haagse Beemden.

Spannende stedebouw levert soms een doodse wijk. Het beste voorbeeld is het Chassépark, naar een stedebouwkundig plan van Rem Koolhaas. De totstandkoming van deze wijk zou je terugkijkend als een participatie traject avant le lettre kunnen noemen. De resultaten van een prijsvraag voor het gebied en vooral de voorkeur van de jury lieten de gemoederen hoog oplopen in de stad. Uiteindelijk hebben betrokken burgers afgedwongen dat er een ander plan kwam. Dat is nu gerealiseerd.

Als ik er vanuit mijn vakkennis naar kijk dan is het zeer geslaagd. Maar als inwoner van Breda mis ik de reuring, de mens. Ligt dat dan aan het ontwerp? Deels. Het Chassé Theater was al gebouwd en ligt nu met z’n rug naar het gebied. Een gemiste kans. Er is ook weer uitsluitend woningbouw toegevoegd, geen mix van functies. Maar de dodelijke fout is gemaakt tijdens de bouw van de parkeergarage. Door een onverstandige bezuiniging is het plein, tevens dak van de parkeergarage niet geschikt om grote lasten te dragen. Daarom kan bijvoorbeeld de weekmarkt er niet gehouden worden.

Mooi saai

Hoe dan ook zijn termen als saai/spannend en mooi/lelijk lastig. Het zijn subjectieve waardeoordelen en daar kan je eeuwig over van mening verschillen. Zo wordt in Spring Breda de nieuwbouw langs de Spoorlaan als saai bestempeld. Als je oppervlakkig kijkt dan snap ik dat nog wel voor de woningen van Breda Vooruit. Maar het ontwerp voor Thes (waar vroeger de Albert Heijn zat) en voor 5Track zijn alles behalve saai. Er wordt flink gevarieerd in oriëntatie van de bouwvolumes, in materiaalgebruik en kleur.

We kunnen stedebouw beter beoordelen als we kijken waarmee het ontwerp is opgebouwd. Dan gaat het over beleving, zichtlijnen, dichtheid, bouwhoogte, korrel, ritme, schaal. Een wijze docent van me aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam introduceerde de term “mooi saai”. Daarmee doelde hij op de waarde van ingetogenheid in een ontwerp. Wat mij betreft geldt dat zowel voor Breda CS als voor het nieuwe Gerechtsgebouw.

Best practices

We kunnen altijd leren van wat andere steden al gedaan hebben. Dat hoef je niet te kopieëren, maar je kunt het wel gebruiken als vertrekpunt voor een Bredase variant. Het gesloten bouwblok van Cerdà is een klassiek voorbeeld. Maar dichter bij huis is ook veel te vinden.

Eindhoven heeft laten zien dat een woontoren in het centrum hoogwaardige architectuur kan opleveren met de Vestedatoren. De binnenstad heeft er daarmee ook een oriëntatiepunt bij. Velen zijn lovend over Strijp S en terecht. De kracht zit hem vooral in de mix van functies: werken voor startups en andere pioniers, wonen, cultuur, horeca, winkels en een groot evenementenplein. De rauwe vormgeving van de herbestemde Philips fabrieken maakt het af. Het is oprecht een spannend stuk stad geworden, spannende stedebouw, in alles anders dan wat Eindhoven al had.

In Amsterdam is geëxperimenteerd met het maken van een wijk met een redelijk hoge dichtheid (70 woningen per hectare) en toch weinig hoogbouw. De wijken Borneo en Sporenburg zijn voorbeelden van spannende stedebouw geworden doordat woningtypen van verschillende architecten gemixt in en blok zijn toegepast. De architecten werden sowieso uitgedaagd, omdat de stedebouw en de verkaveling vroeg om geheel nieuwe woningtypen. Een stukje verderop, op het Java-eiland hebben de Duitse architecten Kollhoff en Rapp het gesloten bouwblok opnieuw uitgevonden. Het grote appartementenblok Piraeus oogt wat streng, maar komt op een zonnige dag geheel tot leven. Dan vouwen de bewoners de ramen van hun loggia open en dat levert een heel speels, dynamisch beeld op. Alsof het gebouw ademt.

Prijsvraag en participatie

De bijdrage van Rijksbouwmeester Floris van Alkemade aan Spring Breda getuigt ook van wijsheid. Hij noemt in zijn pleidooi drie instrumenten waarmee Breda wat spannender kan worden. Allereerst benadrukt hij het belang van ontwerpen naar maatschappelijke noodzaak. Architecten en stedebouwkundigen raken deze focus soms kwijt, onder druk van korte termijn economische doelen van hun opdrachtgevers. In een samenleving die vergrijst ligt er een opgave om met nieuwe woonvormen te komen. Ontwerp zo dat ontmoeten vanzelfsprekend wordt.

Hij waarschuwt voor het onbetaalbaar worden van wonen in de stad. “Vernieuwing, kwaliteitsverbetering in de steden zijn nodig. Maar dat wordt een wreed proces wanneer je tegen mensen die in de zwakke posities zitten zegt: het moet hier beter worden en dat kan alleen als jij weggaat. Dat kan niet het uitgangspunt zijn.” De andere twee instrumenten die hij noemt zijn de prijsvraag en een goed begeleid participatietraject. Uit deze drie ingrediënten is een prachtig Bredaas menu voor spannende stedebouw samen te stellen.

Huis Montens

Huis Montens – aquarel – @rtoo’s 2019

 

 

Het statige pand aan Veemarktstraat nr 46 kennen we als het bisschoppelijk paleis van Breda. De locatie kent een zeer lange en complexe historie. We gaan terug in de tijd, tot 1514, toen op het perceel de huysinge van Montens verrees.

Henrick Montens, rentmeester

Henrick Montens behoorde tot de notabelen van de stad. Als rentmeester, eerst van de graaf van Nassau in Diest en later van Breda had hij bovendien veel invloed. De positie stond in rang boven dat van de schepenen, de huidige wethouders. Hij bezat diverse panden in de stad, o.a. de herbergen Die Sonne en Die Helm aan de Grote Markt. Voor zijn dochter kocht hij het huis aan Sint Janstraat 16, later bekend als het huis Hersbeek. Na een rol als schout van Breda werd hij raadsman van graaf Hendrik III van Nassau. Deze gaf hem in 1524 opdracht het Mastbos aan te leggen.

Toen hij de percelen aan de Veemarktstraat kocht woonde hij met zijn gezin al op stand, in een grote stadsvilla aan Nieuwstraat 13. Helaas is dit pand door de stadsbrand van 1534 verwoest, alleen de kelders bleven intact. De nieuwe eigenaar, Anthonis Sengh liet er omstreeks 1538 een L-vormig hofhuis bouwen, dat in iets gewijzigde vorm nog steeds bestaat.

Henrick de jonge en Godevaert Montens

Na het overlijden van Henrick Montens de Oude in 1548 kwam zijn zoon Henrick in het huis aan de Veemarktstraat wonen. Dat was geen vanzelfsprekendheid, want Henrick senior had zeventien kinderen verwekt bij zijn eerste echtgenote Johanna de Roover en nog een buitenechtelijk kind. Het duurde jaren voordat de erfenis verdeeld was. Henrick Montens de Jonge was bovendien niet de oudste zoon, dat was Willem maar die overleed in 1549. Engelbrecht zal als priester en kanunnik geen interesse hebben gehad en de dames werd in die tijd niets gevraagd. Ook Henrick junior bouwde een indrukwekkende carrière op. Hij is achtereenvolgens rentmeester-generaal van de heerlijkheid Breda en burgemeester van Breda. Zijn zoon Godevaert, uit het eerste huwelijk met Geertruid van Baarle schopt het tot trezorier-generaal van prins Maurits.

De huysinge van Montens

Henrick Montens had voor zijn nieuwe huis het oog laten vallen op een diep kavel aan de Veemarktstraat 46. De bouw startte in 1514, in de tuin achter de woning van de families Sweertveghers en Frey. Het perceel grensde aan het klooster van de Zwarte Zusters. Montens kocht ook de gronden en opstallen op nr 44 en 42 van de erven Michiel Keyen. Wanneer het huis klaar is weten we niet. Wel weten we dat Montens in 1518 van de stad Breda een subsidie krijgt uitgekeerd omdat hij zijn huis laat bedekken met leien. Het huis heeft twee verdiepingen en een zolder onder de kap. Het achterste gedeelte van de woning is voorzien van een kelder met tongewelven, die nog steeds te bewonderen is.

Montens laat de woning uitbreiden met twee kantoren, een brouwhuis en een traptoren. Het kruisribgewelf uit 1535, boven het trappenhuis is nog in takt. Met de verbouwing werd ook de indeling van de woning veranderd. De woonkamer verhuisde van de voorzijde naar de achterzijde en de voorkamer werd ontvangsthal. De gevel was van rode baksteen met kruiskozijnen voorzien van glas-in-lood met een rollaag er boven en luiken aan de onderzijde. Dit zijn kenmerken van de Vlaamse en Hollandse Renaissance.

Tot 1641 blijft het huis in de familie. De nieuwe eigenaren voeren een aantal verbouwingen door. In de periode 1720-1730 volgt een ingrijpende verbouwing, door luitenant-generaal Reynier van der Beke. Hij laat de voorgevel verhogen, de kap veranderen en voegde twee paviljoens aan de achterzijde toe. De kruiskozijnen met glas-in-lood werden vervangen door grotere nieuwe vensters met helder glas en de voorgevel kreeg wit stucwerk, prominente schoorstenen en een geprofileerde daklijst. De metamorfose kwam voort uit de Franse invloed in die tijd: de woning kreeg haar huidige kenmerken uit de Lodewijk XIV stijl.

Hofhuizen in Breda

De term hofhuis verwijst allereerst naar het type woning: een huis dat een hof, een ‘cour’ of ‘plein’ omsluit. Het kan een binnenhof zijn of een voorhof en de woningplattegrond is L- of U-vormig of een carré. In Breda wordt de term ook gebruikt voor een huis in de buurt van het hof van de heren van Breda, en/of een huis bewoond door personen die aan dat hof verbonden waren. Ze werden bewoond door vooraanstaande burgerlijke en adelijke families, de lokale elite. De hofhuizen zijn op een aantal geconcentreerde plekken in de stad terug te vinden.

Nog bestaande hofhuizen zijn Huis Brecht aan de Cingelstraat, Justinus van Nassau aan het Kasteelplein, diverse panden aan de Catharinastraat, Huis Hersbeek en Huis Ocrum aan de Sint Janstraat, Huis van Nispen, thans hotel Bliss aan de Torenstraat, Huis Waelwyck, Huis Bruheze en Huis Assendelft, thans hotel Nassau aan de Nieuwstraat, het eerder genoemde hofhuis aan Nieuwstraat 13, Huys Vaillant en natuurlijk Huis Montens. Van Huis van Renesse aan de Reigerstraat is onlangs de bouwmuur zichtbaar gemaakt, bij de ingang van de Foodhall.

De auto van mgr. P. Hopmans – 1928 –
Foto: fotopersbureau Het Zuiden, id.nr. GN19901702

Het voorplein van Huis Montens is lange tijd gedeeltelijk bebouwd geweest. Bij de aankoop van het perceel stond er een woning aan de straat, dat van Aert Frey en de familie Sweertveghers. Henrick liet er in 1515 een gedeelte van slopen. Pas in 1681/82 werd het restant van de woning Frey gesloopt en ontstond het voorplein zoals we dat nu kennen. Bisschop Muskens besluit om het plein, inmiddels in gebruik als parkeerplaats, in te richten als groen hof. Hij geeft Jérôme Symons opdracht voor het ontwerp, dat in 2005 wordt gerealiseerd ter ere van 150-jarig bestaan van het bisdom in 2003.

De bisschop

Het bisdom Breda verwierf Huis Montens in 1866. Het duurt nog tot 1872 totdat toenmalig bisschop van Genk er kon gaan wonen. Dat lag allemaal gevoelig in een periode waarin katholieken behoorlijk werden tegengewerkt. Na monseigneur van Genk volgen nog de bisschoppen mgr. H. van Beek, mgr. P. Leijten, mgr. P.A.W. Hopmans, mgr. J.W.M. Baeten, mgr. G.H. de Vet, mgr. H. Ernst, mgr. Tiny Muskens, mgr. Hans van den Hende en nu mgr. Jan Liesen. In de jaren zestig wordt het complex uitgebreid na de aankoop van Veemarktstraat 48, het voormalige Huis van Mierlo.

Bronnen:
Het bisschoppelijk paleis te Breda – Eric Dolné – jaarboek 2004 “De Oranjeboom”
Jaarboek vh Centraal bureau voor Genealogie – deel 22 1968 – Montens – Mr Y H M Nijgh
Machtig en Dienstbaar, de Bredase elite tussen 1350 en 1550 – Ester Vink
Engelbrecht van Nassau, jaargang 18 nr 3 – Hofhuizen in de Steenbrugstrate: het Huys Vaillant, Nieuwstraat 13

Mols Park – een stadspark boven een parkeerveld

Menno de Lange van Droomwonen Brabant en Frank Toeset van OhSevenSix zijn al een tijdje aan het sparren om het idee voor een stadspark boven een parkeerveld handen en voeten te geven. Voor dit zogenaamd meervoudig ruimtegebruik zijn verschillende locaties in Breda geschikt. Mols parkeerterrein, of Achter de Lange Stallen behoort daar zeker toe.

Hoe zou dat er uit kunnen zien?

In de noordwesthoek is een fijnmazig dwaalmilieu gecreëerd met winkels van variërende omvang, veelal over twee verdiepingen. Bij de achterkant van de Sint Jozefkapel ontstaat een pleintje. Op het dak van de winkels ligt een verhoogd, groen maaiveld voor de bewoners van de aangrenzende appartementen. De bebouwing heeft wisselende hoogte, we denken aan maximaal 21 m in 6 lagen. De nieuwe winkelstraat verbindt de Kerkstraat met de Ginnekenstraat, met aansluitingen op de Houtmarktpassage en Breda Botanique. Langs deze route naar de voormalige Chassékazerne is een langgerekt gebouw toegevoegd, evenwijdig aan de Lange Stallen. Een glazen overkapping verbindt oud en nieuw. Op de begane grond zou iets bijzonders ondergebracht kunnen worden, bijvoorbeeld een markthal. Ook de rest van de Lange Stallen wordt opgeknapt.

Parkeren met een stadspark er boven.

We denken dat er onvoldoende economische druk op de locatie ligt om het geheel vol te programmeren. Het grootste gedeelte van het gebied blijft als parkeerveld in gebruik. Maar dan wel met een stadspark er boven! Op het lichte dek dat met sedum en kleine plantjes wordt begroeid is bovendien ruimte voor lichte, prefab woningen – Tiny Houses. Gaten in het dek zorgen voor daglicht op parkeerniveau en maken het mogelijk dat bomen door het dek heen groeien. Om de verdwenen parkeerplaatsen te compenseren krijgt een deel van het terrein een tweede parkeerlaag.

Met hellingbanen bij de Akkerstraat en trappen langs de nieuwe winkelstraat kom je op het Mols Park. In een kas kan je heerlijke gerechten krijgen met kruiden die in het park zijn gekweekt. De verse producten komen van de markthal verderop.

Tijdelijkheid

Het parkdek en de Tiny Houses zijn tijdelijke bouwwerken. Als er in de toekomst minder behoefte is aan parkeren in het centrum dan kan Mols Park alsnog worden bebouwd. Hopelijk met een park op het dak.

Het stadhuis van Klundert

Niet veel mensen zullen bij het binnenrijden van Klundert denken: “Goh, mooi stadje”. Maar dit kleine West-Brabantse plaatsje heeft wel degelijk stadsrechten en een prachtig 17e-eeuws stadhuis.

Niervaert

De geschiedenis van Klundert gaat verder terug dan haar stadhuis. In 1357 werden stadsrechten toegekend aan de heerlijkheid Niervaert. Deze naam betekent letterlijk: (woonplaats gelegen) aan de nieuwe vaart. Dit kanaal was gegraven om scheepvaart mogelijk te houden. Dat was niet alleen nodig voor de afvoer van turf, maar het bevorderde ook de scheepvaart van Holland naar Vlaanderen. Vanwege de aanspraken van Willem van Oranje, heer van Niervaert zijn de stadsrechten overgegaan op de Klundert, waar hij een zaakwaarnemer had wonen. Dat gebeurde ondanks dat locatie en geschiedenis van Klundert niet naadloos aansluiten op het verdrinken van de heerlijkheid in de 15e eeuw. We kennen Niervaert van het gelijknamige mirakel met een hostie, dat volgens de overlevering zou zijn gaan bloeden.

Melchior van Herbach

Het stadhuis van Klundert is in 1620 gebouwd naar ontwerp van de Antwerpense architect en steenhouwer Melchior van Herbach. Het ontwerp heeft kenmerken van de Vlaamse en de Hollandse Renaissance. Van Herbach heeft goed gekeken naar het werk van tijdgenoten zoals de panden aan de Grand Place in Brussel en het stadhuis in Antwerpen van Cornelis Floris de Vriendt. Hij maakte gebruik van de ontwerpen en architectuurtheorie van Hans Vredeman de Vries. Waarschijnlijk kende hij ook het werk van Hendrik de Keyser en Lieven de Key. Deze laatste, uit Gent afkomstige architect maakte zijn bekendste werken in Leiden en Haarlem. Met name de Vleeshal in Haarlem uit 1604 vertoont in opzet overeenkomsten met het stadhuis van Klundert.

De tekening

Wat we zien op de tekening is de voorgevel van het stadhuis, de lange gevel van het gebouw. Deze langsgevel heeft een symmetrische indeling. Het gebouw heeft een stijl hellend, met leien gedekt zadeldak met op beide koppen trapgevels. Het rechthoekig gebouw is opgetrokken in gele en rode baksteen, met natuurstenen vensterkozijnen, plint, banden, blokken en sierstukken. De horizontale banden van gele baksteen en natuursteen worden “speklagen” genoemd en zijn kenmerkend voor de Vlaamse Renaissance.

Boven de ingang, die voorzien is van een bordes met aan weerszijden toegangstrappen, bevindt zich een topgevel die versierd is met klauwstukkenobelisken en een gebroken fronton. Daarop bevindt zich een beeld van Vrouwe Justitia. De opzet van een hoger gelegen entree naar een bel-etage is kenmerkend voor de Hollandse Renaissance. Direct boven de ingang zien we een cartouche met het wapen van Prins Maurits. Maurits van Oranje-Nassau schonk een bedrag van 2000 gulden “vant maecken van een nieuw stadthuys”. Ook toen al waren overschrijdingen van bouwkosten aan de orde: er moest nog eens 3000 gulden bij van Maurits en ook de bewoners van Klundert moesten bijlappen.

Maniërisme

Melchior van Herbach maakte in Breda de entreepoort van de Vleeshal, nu onderdeel van de gevel van café de Boterhal. Waarschijnlijk was hij ook betrokken bij de bouw van het Mauritshuis in Willemstad en het raadhuis van Ooltgensplaat. Sommigen delen van Herbach z’n werken in bij het Antwerpse Maniërisme. Dat vind ik een wat lastige classificering voor architectuur. Het Maniërisme is een stroming in de schilderkunst, een subcategorie van de late Italiaanse Renaissance.  Er zit een historische negatieve connotatie aan, verbonden met decadentie en verval. Gemeenschappelijke factoren in het werk van maniëristen zijn het lenen van bepaalde poses en technieken van de grote voorbeelden Michelangelo en Rafael.

 

De zeven levens van het Grand Theatre

In 1912 kreeg de Bredase architect Frans P. Bilsen zijn eerste belangrijke opdracht: bioscoopondernemer H.W. Lutzke vroeg hem een bioscoop annex theater te ontwerpen. Oorspronkelijk zou het Apollo theater gaan heten. Hij vond daarvoor uiteindelijk een locatie aan het Van Coothplein, op de plek waar in 1917 brouwerij De Twee Hoefijzers z’n poorten sloot. 2 December 1919 vierde Breda de feestelijke opening van theater Olympia. De Bredasche Courant was lovend: “Onze algemene indruk is dat Breda daarmede eene inrichting verkregen heeft, eene groote stad waardig, eene inrichting die zelfs menige wereldstad de hoofdstad der Baronie benijden zal.”

Olympia 1919-1924

Er waren een aantal concessies gedaan in het ontwerp dat uiteindelijk gerealiseerd werd. Zo verdween een van de twee torens en daarmee ook de symmetrie in de gevel. Naar mijn idee is het gebouw er interessanter door geworden. De reden was niet van esthetische maar van financiële aard. Vermoed wordt dat het toen al minder goed ging met Lutzke. Eind april 1924 kan de directie niet meer aan haar betalingsverplichtingen voldoen en gaat het theater failliet.

Grand Theatre

Op vrijdag 9 mei 1924 wordt het theater en de inventaris geveild. Nieuwe eigenaar is de heer Portocarerro uit Den Haag en de exploitatie komt in handen van de heren Rehl en Sips van het Casino theater in de Reigerstraat. In de volksmond heette de bioscoop al het Grand Theatre en die naam wordt nu gevoerd. Over de spelling van de naam is regelmatig verwarring. Soms kom je de vernederlandste versie tegen: Grand Theater. Dat is wat knullig en een gevolg van de taalvernieuwing in de jaren ’70. Maar zelden wordt de juiste Franse spelling gehanteerd: Grand Théâtre. Voor het gemak laten we de accenten weg en gebruiken we het meest gehanteerde Grand Theatre.

Grand Theater, voor de restauratie. Foto: Johan van Gurp, collectie Stadsarchief.

Mevr. Koopal-Waskowsky

Per 1 januari 1967 wordt het exploitatiecontract overgenomen door de heer De Nijs van het Luxor theater. Als deze 2 maanden later komt te overlijden nemen zijn dochter en zijn weduwe de exploitatie over. De laatste, mevrouw Koopal-Waskowsky wordt in 1976 ook eigenaar van het pand. Dat blijft ze, tot de wat ongelukkig gecommuniceerde verkoop in april 2000. Volgens BN/DeStem waren de twintig werknemers woedend omdat ze niet waren ingelicht. En Koopal-Waskowsky gooide olie op het vuur door in eerste instantie te verklaren dat zulks makelaar Meeùs te verwijten viel. In een vervolgartikel laat de makelaar fijntjes weten: ”Wij doen tegenwoordig van alles, maar personeelsmanagement hoort niet tot onze taken.” Als reden voor de sluiting wordt opgevoerd de komst van de megabioscoop in Antwerpen en de vermoedelijke bouw van twee soortgelijke grote bioscopen in Breda.

De branden

In 1966 was er een beperkte brand, aangesticht door een niet zo snuggere inbreker. Hij had geen zaklamp bij zich en zocht zijn weg in het donker door steeds een lucifer af te steken. In de toneeltoren, waar kurkdroge decorstukken hingen die toen nog niet werden geïmpregneerd, daar ging het mis. De schade werd hersteld en er werd meteen een renovatie doorgevoerd, waarbij de theaterfunctie kwam te vervallen. In 1968 ging de verbouwde bioscoop weer open.

De tweede brand was ingrijpender. Het herstel kwam in 1985 met een restauratie die recht doet aan het oorspronkelijke ontwerp. De Bredase architect Frans Oomes won een prijs met dit eerbetoon aan Bilsen. Zowel de Moorse toren als het Art Déco interieur werden in ere hersteld en de toevoegingen uit 1968 verdwenen.

De restauratie van 1985. Foto: Johan van Gurp, collectie Stadsarchief.

Een feestje van korte duur

Na een periode van moeizame exploitatie van de bioscoop koopt Princess eigenaar Aad Ouborg het pand in februari 2007. Hij verandert de bestemming, voor een bioscoop is op deze plek geen toekomst meer. De bouw van de bioscoop aan het Chasséveld met zeven zalen stond al vast en er was sprake van een tweede megabioscoop bij het NAC stadion. Uiteindelijk zou deze vele jaren later in Breepark landen. Oorspronkelijk dacht Ouborg Monumenten Vastgoed nog aan een bioscooprestaurant gecombineerd met chique winkeltjes. Het werd een evenementenlocatie en exploitant Hutten Catering bv brengt grote namen naar Breda. Er wordt stevig verbouwd, waarbij de entreehal z’n oorspronkelijke Art Déco uitstraling houdt en de zalen een meer eigentijdse stijl meekrijgen. De oude naam Grand Theatre komt terug en het krijgt de status van Rijksmonument. Vanaf de opening, april 2011 staan diverse Nederlandse artiesten op het podium die goed passen bij de zakelijke evenementen van Ouborg. Het lijkt een succes.

Het sterrenhuwelijk eindigt in een vechtscheiding. Bij de verbouwing was nagelaten om voorzieningen te treffen voor geluidwering. De buren uit de Dr. van Mierlostraat en ook andere omwonenden klagen steen en been. De gemeente Breda springt in en verbiedt onder een dwangsom om na 22:00 concerten te houden. Hutten begint een rechtszaak tegen de eigenaar, omdat ze niet op de hoogte waren van de bouwkundige gebreken. En de rechter stelt de exploitant in het gelijk: Ouborg moet Hutten volledig schadeloos stellen, inclusief ‘toekomstige schade’. In maart 2014 zoekt Ouborg een nieuwe eigenaar of huurder.

Grand Theatre als evenementenlocatie.

Grand Theatre boekhandel

Het grote voorbeeld om van de voormalige bioscoop een boekhandel te maken staat in Buenos Aires. In de stad van de Argentijnse tango opent in 2000 El Ateneo Grand Splendid. Het is volgens kenners de mooiste boekenwinkel van de wereld en heeft een geschiedenis die vergelijkbaar is met het Grand Theatre. Het opende in 1919 (!) als Grand Splendid Theater en werd tien jaar later een bioscoop. Maar er zijn natuurlijk ook veel verschillen. Een boekenwinkel die zo’n miljoen mensen per jaar trekt is in Breda niet denkbaar. Maar als kleinere broer, zus in dit geval heeft Grietje Braaksma in drie jaar tijd iets heel bijzonders opgebouwd in Breda. Het is niet alleen de boekenwinkel, met veel aandacht voor kinderen. Ook het team dat ze om zich heen heeft gevormd, het caféetje, het terras en de keuken voor lunch dragen bij aan de fijne sfeer. Tel daarbij op de diverse evenementen, van BNR debat, bitterballenborrel tot tango salon en je hebt een prachtig format dat gekoesterd moet worden.

Laten we kijken hoe deze bijzondere plek in Breda een nieuwe start kan maken. Wie helpt er mee?