De toekomst van Breda | het Centrum

Breda werkt aan het opstellen van een Omgevingsvisie. Van september tot en met november vorig jaar zijn er Talks of the Town georganiseerd. In vijf bijeenkomsten zijn over evenveel thema’s een keur aan experts aan het woord gekomen. De thema’s waren:

  1. Vitaal en inclusieve stad
  2. De toekomst van het centrum van Breda
  3. Stedelijke systeemtransitie
  4. Stad en omgeving
  5. Stad en de regio

 In een serie blogs geef ik reflectie op wat er voorbij is gekomen. 

Centrum en identiteit

Het is heel aantrekkelijk om voor een beleidsvisie over Breda na te denken over het centrum van de stad. Tegelijk is het een valkuil. Te gemakkelijk worden de centrumfuncties vereenzelvigd met de identiteit van een stad. Dat is natuurlijk niet zo. De Bredanaars maken Breda. Maar als we vinden dat Breda Groen, Gastvrij en Grenzeloos moet zijn of worden, dan hebben we het over hoe de stad zich presenteert aan haar bezoekers. En die komen als eerste op het centrum af.

Het centrum groeit

Er is onduidelijkheid over wat nu precies het centrum van Breda vormt. In dagelijks taalgebruik bedoelen we er de binnenstad mee. Velen beschouwen het eitje, alles binnen de singels als het centrum. In officiële beleidsdocumenten is het centrum groter, ook het station en een deel van Belcrum en Linie horen erbij. De trend is dat het centrum nog verder naar het noorden groeit. Daar ligt ook de potentie voor een nieuw soort Breda: langs de Stationslaan, de wijk Drie Hoefijzers Noord, de Eureka wijk en de Faam, Haveneiland en de Strip, Klavers-Jansen en last but not least het CSM terrein. 

Kansen voor het centrum

Ook in de rest van het centrum van Breda ligt nog heel veel onontgonnen gebied te smachten op (her)ontwikkeling. Denk aan de Gasthuisvelden, Mols Parking en het Koepelcomplex. Dat is voor Breda een enorme kans. Om een beetje focus aan te brengen is gekozen om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te categoriseren. Hans Thoolen noemde de drie R’s: Reuring, Ruis en Rust. Op zich een goede gedachte, het zegt iets over toegankelijkheid en dynamiek. Mijn voorstel zou zijn: vervang Ruis door Rimpeling of Ritme. Ruis heeft in communicatie een negatieve connotatie. 

Een voordracht

Het meest gegrepen werd ik die dag door de vreemde eend in de bijt. Geen Powerpoint met pakkende referentiebeelden, ook geen dynamische spreker, heen en weer sprintend over het podium van de ene naar de andere spitsvondigheid. Niets van dat alles. Verstilling, een voordracht voorgelezen uit een boek, door een man van zekere leeftijd, zittend op een bank. 

Het kasteel van Breda

De oproep van Eloï Koreman om het kasteel van Breda als museum voor ons allen toegankelijk te maken is veel meer dan een door velen gedeelde wens. Het idee doet recht aan de enorme betekenis van kasteelheer graaf Hendrik III van Nassau-Breda. Niet alleen was Hendrik opdrachtgever van de verbouwing van het kasteel tot Renaissance paleis door de Italiaanse architect Tommaso Vincidor da Bologna. Hij liet ook naar Italiaans voorbeeld een paleistuin aanleggen, het huidige Valkenberg. Verder liet hij de Grote Kerk moderniseren en liet het Mastbos aanleggen. 

Museum Hendrik III

Bovendien was graaf Hendrik mecenas voor belangrijke kunstenaars uit de Lage Landen. Volgens kunsthistoricus Hans Belting was de graaf opdrachtgever van De tuin der Lusten van Jheronimus Bosch. Een deel van de kunstverzameling van Hendrik werd na zijn dood naar Spanje overgebracht door zijn weduwe, Mencía de Mendoza. De rest werd in 1568 door Alva geconfisqueerd. Dat zet de beoogde samenwerking van het Museum Hendrik III met het Prado in Madrid even in historisch perspectief. Eloï hield een gloedvol betoog om die confrontatie dan maar aan te gaan. Omdat Breda het verdient. Een druppel wil naar de zee, stelt Koreman. De tuin der Lusten wil terug naar het kasteel van zijn mecenas. 

Spannende stedebouw

StadsLab presenteerde het boek Spring Breda. Het is een mooie bloemlezing van interviews en redactionele stukken geworden, over de stedelijke ontwikkeling van Breda. Een boek dat discussie oproept. Er staan meerdere oproepen in dat Breda wel wat spannender mag, dat de stedebouw te saai is. Wat is dat dan, spannende stedebouw?

Stedenbouw of stedebouw

De huidige voorkeurspelling schrijft stedenbouw voor, toch hou ik vast aan de oude spelling. De taalkundigen hebben niet begrepen dat een n verschil een geheel andere betekenis geeft aan een beroepsgroep. Met stedenbouw ben je bezig te bouwen aan steden of een stad. Stedebouw komt van het bouwen van een stede, een plek. Een veilige plek, een plek voor mensen om te verblijven. De optelsom van die plekken vormt de stad of het dorp. Het is juist dat oog voor detail en voor de gebruikers wat het verschil maakt.

Typisch Breda

De stedebouwkundige structuur van de stad draagt bij aan haar karakter en herkenbaarheid. Dat geldt niet alleen voor de binnenstad en andere delen waar de openbare ruimte intensief wordt gebruikt. Het geldt ook voor de woonwijken. Opvallend aan Breda is dat er veel grondgebonden rijwoningen staan, uit verschillende perioden. In de jaren ’50 en ’60 zijn veel portiekflats gebouwd, in stroken met groen er tussen. In meer recente wijken, van na 2000 is de jaren-dertig-woning heel populair, vooral als tweekapper. Deze typologieën herhalen zich eindeloos en dan wordt het saai. Werd in de échte jaren ’30 in wijken als Belcrum, Oud Boeimeer en Zandwijk met veel variatie en oog voor detail gebouwd, de kopie jaren-dertig-woning uit deze eeuw is een eenheidsworst.

Wat hebben we nog niet? Opvallend is dat de meest voorkomende typologie in steden bijna ontbreekt in Breda: het gesloten bouwblok. Deze stedebouwkundige structuur is bijvoorbeeld kenmerkend voor Amsterdam in de periode van grofweg 1900 tot 1960. Een gesloten bouwblok is veelal in een keer gebouwd en heeft daarmee eenduidige architectuur en materialen. Het bestaat uit gestapelde woningen, vaak met portiekontsluiting, soms met galerijen. Op de begane grond is ruimte voor buurtwinkels, bedrijfjes of horeca.

Wat aantrekkelijk is aan het gesloten bouwblok is dat de drukte van de stad niet doordringt tot het binnengebied. Daar ontstaat een weldaad van rust met private of gezamenlijke tuinen en balkons. De slaapkamers zitten vaak aan deze kant van het blok. Een bijzondere variant vinden we in Barcelona. De Catelaanse stedebouwkundige Cerdà bedacht dat het slimmer was om de hoeken van de blokken af te snuiten. Daarmee ontstaan kleine pleintjes, waar zich dan de horeca of winkels concentreren. Het levert bovendien beter indeelbare hoekwoningen op.

Wat is spannend?

In de Haagse Beemden is destijds geëxperimenteerd met een heel andere vorm van stedebouw. Geen rechte straten meer, maar patronen die lijken op organisch gegroeide oude steden en dorpen. Er moest meer te beleven zijn en de auto werd de te weren gast op het woonerf. Heeft dit dan een spannend stuk stad opgeleverd? Daar valt wel iets op af te dingen. Door een gebrek aan menging van wonen, werken en winkels is het overdag een dooie bedoeling in de Haagse Beemden.

Spannende stedebouw levert soms een doodse wijk. Het beste voorbeeld is het Chassépark, naar een stedebouwkundig plan van Rem Koolhaas. De totstandkoming van deze wijk zou je terugkijkend als een participatie traject avant le lettre kunnen noemen. De resultaten van een prijsvraag voor het gebied en vooral de voorkeur van de jury lieten de gemoederen hoog oplopen in de stad. Uiteindelijk hebben betrokken burgers afgedwongen dat er een ander plan kwam. Dat is nu gerealiseerd.

Als ik er vanuit mijn vakkennis naar kijk dan is het zeer geslaagd. Maar als inwoner van Breda mis ik de reuring, de mens. Ligt dat dan aan het ontwerp? Deels. Het Chassé Theater was al gebouwd en ligt nu met z’n rug naar het gebied. Een gemiste kans. Er is ook weer uitsluitend woningbouw toegevoegd, geen mix van functies. Maar de dodelijke fout is gemaakt tijdens de bouw van de parkeergarage. Door een onverstandige bezuiniging is het plein, tevens dak van de parkeergarage niet geschikt om grote lasten te dragen. Daarom kan bijvoorbeeld de weekmarkt er niet gehouden worden.

Mooi saai

Hoe dan ook zijn termen als saai/spannend en mooi/lelijk lastig. Het zijn subjectieve waardeoordelen en daar kan je eeuwig over van mening verschillen. Zo wordt in Spring Breda de nieuwbouw langs de Spoorlaan als saai bestempeld. Als je oppervlakkig kijkt dan snap ik dat nog wel voor de woningen van Breda Vooruit. Maar het ontwerp voor Thes (waar vroeger de Albert Heijn zat) en voor 5Track zijn alles behalve saai. Er wordt flink gevarieerd in oriëntatie van de bouwvolumes, in materiaalgebruik en kleur.

We kunnen stedebouw beter beoordelen als we kijken waarmee het ontwerp is opgebouwd. Dan gaat het over beleving, zichtlijnen, dichtheid, bouwhoogte, korrel, ritme, schaal. Een wijze docent van me aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam introduceerde de term “mooi saai”. Daarmee doelde hij op de waarde van ingetogenheid in een ontwerp. Wat mij betreft geldt dat zowel voor Breda CS als voor het nieuwe Gerechtsgebouw.

Best practices

We kunnen altijd leren van wat andere steden al gedaan hebben. Dat hoef je niet te kopieëren, maar je kunt het wel gebruiken als vertrekpunt voor een Bredase variant. Het gesloten bouwblok van Cerdà is een klassiek voorbeeld. Maar dichter bij huis is ook veel te vinden.

Eindhoven heeft laten zien dat een woontoren in het centrum hoogwaardige architectuur kan opleveren met de Vestedatoren. De binnenstad heeft er daarmee ook een oriëntatiepunt bij. Velen zijn lovend over Strijp S en terecht. De kracht zit hem vooral in de mix van functies: werken voor startups en andere pioniers, wonen, cultuur, horeca, winkels en een groot evenementenplein. De rauwe vormgeving van de herbestemde Philips fabrieken maakt het af. Het is oprecht een spannend stuk stad geworden, spannende stedebouw, in alles anders dan wat Eindhoven al had.

In Amsterdam is geëxperimenteerd met het maken van een wijk met een redelijk hoge dichtheid (70 woningen per hectare) en toch weinig hoogbouw. De wijken Borneo en Sporenburg zijn voorbeelden van spannende stedebouw geworden doordat woningtypen van verschillende architecten gemixt in en blok zijn toegepast. De architecten werden sowieso uitgedaagd, omdat de stedebouw en de verkaveling vroeg om geheel nieuwe woningtypen. Een stukje verderop, op het Java-eiland hebben de Duitse architecten Kollhoff en Rapp het gesloten bouwblok opnieuw uitgevonden. Het grote appartementenblok Piraeus oogt wat streng, maar komt op een zonnige dag geheel tot leven. Dan vouwen de bewoners de ramen van hun loggia open en dat levert een heel speels, dynamisch beeld op. Alsof het gebouw ademt.

Prijsvraag en participatie

De bijdrage van Rijksbouwmeester Floris van Alkemade aan Spring Breda getuigt ook van wijsheid. Hij noemt in zijn pleidooi drie instrumenten waarmee Breda wat spannender kan worden. Allereerst benadrukt hij het belang van ontwerpen naar maatschappelijke noodzaak. Architecten en stedebouwkundigen raken deze focus soms kwijt, onder druk van korte termijn economische doelen van hun opdrachtgevers. In een samenleving die vergrijst ligt er een opgave om met nieuwe woonvormen te komen. Ontwerp zo dat ontmoeten vanzelfsprekend wordt.

Hij waarschuwt voor het onbetaalbaar worden van wonen in de stad. “Vernieuwing, kwaliteitsverbetering in de steden zijn nodig. Maar dat wordt een wreed proces wanneer je tegen mensen die in de zwakke posities zitten zegt: het moet hier beter worden en dat kan alleen als jij weggaat. Dat kan niet het uitgangspunt zijn.” De andere twee instrumenten die hij noemt zijn de prijsvraag en een goed begeleid participatietraject. Uit deze drie ingrediënten is een prachtig Bredaas menu voor spannende stedebouw samen te stellen.

Huis Montens

Huis Montens – aquarel – @rtoo’s 2019

 

 

Het statige pand aan Veemarktstraat nr 46 kennen we als het bisschoppelijk paleis van Breda. De locatie kent een zeer lange en complexe historie. We gaan terug in de tijd, tot 1514, toen op het perceel de huysinge van Montens verrees.

Henrick Montens, rentmeester

Henrick Montens behoorde tot de notabelen van de stad. Als rentmeester, eerst van de graaf van Nassau in Diest en later van Breda had hij bovendien veel invloed. De positie stond in rang boven dat van de schepenen, de huidige wethouders. Hij bezat diverse panden in de stad, o.a. de herbergen Die Sonne en Die Helm aan de Grote Markt. Voor zijn dochter kocht hij het huis aan Sint Janstraat 16, later bekend als het huis Hersbeek. Na een rol als schout van Breda werd hij raadsman van graaf Hendrik III van Nassau. Deze gaf hem in 1524 opdracht het Mastbos aan te leggen.

Toen hij de percelen aan de Veemarktstraat kocht woonde hij met zijn gezin al op stand, in een grote stadsvilla aan Nieuwstraat 13. Helaas is dit pand door de stadsbrand van 1534 verwoest, alleen de kelders bleven intact. De nieuwe eigenaar, Anthonis Sengh liet er omstreeks 1538 een L-vormig hofhuis bouwen, dat in iets gewijzigde vorm nog steeds bestaat.

Henrick de jonge en Godevaert Montens

Na het overlijden van Henrick Montens de Oude in 1548 kwam zijn zoon Henrick in het huis aan de Veemarktstraat wonen. Dat was geen vanzelfsprekendheid, want Henrick senior had zeventien kinderen verwekt bij zijn eerste echtgenote Johanna de Roover en nog een buitenechtelijk kind. Het duurde jaren voordat de erfenis verdeeld was. Henrick Montens de Jonge was bovendien niet de oudste zoon, dat was Willem maar die overleed in 1549. Engelbrecht zal als priester en kanunnik geen interesse hebben gehad en de dames werd in die tijd niets gevraagd. Ook Henrick junior bouwde een indrukwekkende carrière op. Hij is achtereenvolgens rentmeester-generaal van de heerlijkheid Breda en burgemeester van Breda. Zijn zoon Godevaert, uit het eerste huwelijk met Geertruid van Baarle schopt het tot trezorier-generaal van prins Maurits.

De huysinge van Montens

Henrick Montens had voor zijn nieuwe huis het oog laten vallen op een diep kavel aan de Veemarktstraat 46. De bouw startte in 1514, in de tuin achter de woning van de families Sweertveghers en Frey. Het perceel grensde aan het klooster van de Zwarte Zusters. Montens kocht ook de gronden en opstallen op nr 44 en 42 van de erven Michiel Keyen. Wanneer het huis klaar is weten we niet. Wel weten we dat Montens in 1518 van de stad Breda een subsidie krijgt uitgekeerd omdat hij zijn huis laat bedekken met leien. Het huis heeft twee verdiepingen en een zolder onder de kap. Het achterste gedeelte van de woning is voorzien van een kelder met tongewelven, die nog steeds te bewonderen is.

Montens laat de woning uitbreiden met twee kantoren, een brouwhuis en een traptoren. Het kruisribgewelf uit 1535, boven het trappenhuis is nog in takt. Met de verbouwing werd ook de indeling van de woning veranderd. De woonkamer verhuisde van de voorzijde naar de achterzijde en de voorkamer werd ontvangsthal. De gevel was van rode baksteen met kruiskozijnen voorzien van glas-in-lood met een rollaag er boven en luiken aan de onderzijde. Dit zijn kenmerken van de Vlaamse en Hollandse Renaissance.

Tot 1641 blijft het huis in de familie. De nieuwe eigenaren voeren een aantal verbouwingen door. In de periode 1720-1730 volgt een ingrijpende verbouwing, door luitenant-generaal Reynier van der Beke. Hij laat de voorgevel verhogen, de kap veranderen en voegde twee paviljoens aan de achterzijde toe. De kruiskozijnen met glas-in-lood werden vervangen door grotere nieuwe vensters met helder glas en de voorgevel kreeg wit stucwerk, prominente schoorstenen en een geprofileerde daklijst. De metamorfose kwam voort uit de Franse invloed in die tijd: de woning kreeg haar huidige kenmerken uit de Lodewijk XIV stijl.

Hofhuizen in Breda

De term hofhuis verwijst allereerst naar het type woning: een huis dat een hof, een ‘cour’ of ‘plein’ omsluit. Het kan een binnenhof zijn of een voorhof en de woningplattegrond is L- of U-vormig of een carré. In Breda wordt de term ook gebruikt voor een huis in de buurt van het hof van de heren van Breda, en/of een huis bewoond door personen die aan dat hof verbonden waren. Ze werden bewoond door vooraanstaande burgerlijke en adelijke families, de lokale elite. De hofhuizen zijn op een aantal geconcentreerde plekken in de stad terug te vinden.

Nog bestaande hofhuizen zijn Huis Brecht aan de Cingelstraat, Justinus van Nassau aan het Kasteelplein, diverse panden aan de Catharinastraat, Huis Hersbeek en Huis Ocrum aan de Sint Janstraat, Huis van Nispen, thans hotel Bliss aan de Torenstraat, Huis Waelwyck, Huis Bruheze en Huis Assendelft, thans hotel Nassau aan de Nieuwstraat, het eerder genoemde hofhuis aan Nieuwstraat 13, Huys Vaillant en natuurlijk Huis Montens. Van Huis van Renesse aan de Reigerstraat is onlangs de bouwmuur zichtbaar gemaakt, bij de ingang van de Foodhall.

De auto van mgr. P. Hopmans – 1928 –
Foto: fotopersbureau Het Zuiden, id.nr. GN19901702

Het voorplein van Huis Montens is lange tijd gedeeltelijk bebouwd geweest. Bij de aankoop van het perceel stond er een woning aan de straat, dat van Aert Frey en de familie Sweertveghers. Henrick liet er in 1515 een gedeelte van slopen. Pas in 1681/82 werd het restant van de woning Frey gesloopt en ontstond het voorplein zoals we dat nu kennen. Bisschop Muskens besluit om het plein, inmiddels in gebruik als parkeerplaats, in te richten als groen hof. Hij geeft Jérôme Symons opdracht voor het ontwerp, dat in 2005 wordt gerealiseerd ter ere van 150-jarig bestaan van het bisdom in 2003.

De bisschop

Het bisdom Breda verwierf Huis Montens in 1866. Het duurt nog tot 1872 totdat toenmalig bisschop van Genk er kon gaan wonen. Dat lag allemaal gevoelig in een periode waarin katholieken behoorlijk werden tegengewerkt. Na monseigneur van Genk volgen nog de bisschoppen mgr. H. van Beek, mgr. P. Leijten, mgr. P.A.W. Hopmans, mgr. J.W.M. Baeten, mgr. G.H. de Vet, mgr. H. Ernst, mgr. Tiny Muskens, mgr. Hans van den Hende en nu mgr. Jan Liesen. In de jaren zestig wordt het complex uitgebreid na de aankoop van Veemarktstraat 48, het voormalige Huis van Mierlo.

Bronnen:
Het bisschoppelijk paleis te Breda – Eric Dolné – jaarboek 2004 “De Oranjeboom”
Jaarboek vh Centraal bureau voor Genealogie – deel 22 1968 – Montens – Mr Y H M Nijgh
Machtig en Dienstbaar, de Bredase elite tussen 1350 en 1550 – Ester Vink
Engelbrecht van Nassau, jaargang 18 nr 3 – Hofhuizen in de Steenbrugstrate: het Huys Vaillant, Nieuwstraat 13

Mols Park – een stadspark boven een parkeerveld

Menno de Lange van Droomwonen Brabant en Frank Toeset van OhSevenSix zijn al een tijdje aan het sparren om het idee voor een stadspark boven een parkeerveld handen en voeten te geven. Voor dit zogenaamd meervoudig ruimtegebruik zijn verschillende locaties in Breda geschikt. Mols parkeerterrein, of Achter de Lange Stallen behoort daar zeker toe.

Hoe zou dat er uit kunnen zien?

In de noordwesthoek is een fijnmazig dwaalmilieu gecreëerd met winkels van variërende omvang, veelal over twee verdiepingen. Bij de achterkant van de Sint Jozefkapel ontstaat een pleintje. Op het dak van de winkels ligt een verhoogd, groen maaiveld voor de bewoners van de aangrenzende appartementen. De bebouwing heeft wisselende hoogte, we denken aan maximaal 21 m in 6 lagen. De nieuwe winkelstraat verbindt de Kerkstraat met de Ginnekenstraat, met aansluitingen op de Houtmarktpassage en Breda Botanique. Langs deze route naar de voormalige Chassékazerne is een langgerekt gebouw toegevoegd, evenwijdig aan de Lange Stallen. Een glazen overkapping verbindt oud en nieuw. Op de begane grond zou iets bijzonders ondergebracht kunnen worden, bijvoorbeeld een markthal. Ook de rest van de Lange Stallen wordt opgeknapt.

Parkeren met een stadspark er boven.

We denken dat er onvoldoende economische druk op de locatie ligt om het geheel vol te programmeren. Het grootste gedeelte van het gebied blijft als parkeerveld in gebruik. Maar dan wel met een stadspark er boven! Op het lichte dek dat met sedum en kleine plantjes wordt begroeid is bovendien ruimte voor lichte, prefab woningen – Tiny Houses. Gaten in het dek zorgen voor daglicht op parkeerniveau en maken het mogelijk dat bomen door het dek heen groeien. Om de verdwenen parkeerplaatsen te compenseren krijgt een deel van het terrein een tweede parkeerlaag.

Met hellingbanen bij de Akkerstraat en trappen langs de nieuwe winkelstraat kom je op het Mols Park. In een kas kan je heerlijke gerechten krijgen met kruiden die in het park zijn gekweekt. De verse producten komen van de markthal verderop.

Tijdelijkheid

Het parkdek en de Tiny Houses zijn tijdelijke bouwwerken. Als er in de toekomst minder behoefte is aan parkeren in het centrum dan kan Mols Park alsnog worden bebouwd. Hopelijk met een park op het dak.

Het stadhuis van Klundert

Niet veel mensen zullen bij het binnenrijden van Klundert denken: “Goh, mooi stadje”. Maar dit kleine West-Brabantse plaatsje heeft wel degelijk stadsrechten en een prachtig 17e-eeuws stadhuis.

Niervaert

De geschiedenis van Klundert gaat verder terug dan haar stadhuis. In 1357 werden stadsrechten toegekend aan de heerlijkheid Niervaert. Deze naam betekent letterlijk: (woonplaats gelegen) aan de nieuwe vaart. Dit kanaal was gegraven om scheepvaart mogelijk te houden. Dat was niet alleen nodig voor de afvoer van turf, maar het bevorderde ook de scheepvaart van Holland naar Vlaanderen. Vanwege de aanspraken van Willem van Oranje, heer van Niervaert zijn de stadsrechten overgegaan op de Klundert, waar hij een zaakwaarnemer had wonen. Dat gebeurde ondanks dat locatie en geschiedenis van Klundert niet naadloos aansluiten op het verdrinken van de heerlijkheid in de 15e eeuw. We kennen Niervaert van het gelijknamige mirakel met een hostie, dat volgens de overlevering zou zijn gaan bloeden.

Melchior van Herbach

Het stadhuis van Klundert is in 1620 gebouwd naar ontwerp van de Antwerpense architect en steenhouwer Melchior van Herbach. Het ontwerp heeft kenmerken van de Vlaamse en de Hollandse Renaissance. Van Herbach heeft goed gekeken naar het werk van tijdgenoten zoals de panden aan de Grand Place in Brussel en het stadhuis in Antwerpen van Cornelis Floris de Vriendt. Hij maakte gebruik van de ontwerpen en architectuurtheorie van Hans Vredeman de Vries. Waarschijnlijk kende hij ook het werk van Hendrik de Keyser en Lieven de Key. Deze laatste, uit Gent afkomstige architect maakte zijn bekendste werken in Leiden en Haarlem. Met name de Vleeshal in Haarlem uit 1604 vertoont in opzet overeenkomsten met het stadhuis van Klundert.

De tekening

Wat we zien op de tekening is de voorgevel van het stadhuis, de lange gevel van het gebouw. Deze langsgevel heeft een symmetrische indeling. Het gebouw heeft een stijl hellend, met leien gedekt zadeldak met op beide koppen trapgevels. Het rechthoekig gebouw is opgetrokken in gele en rode baksteen, met natuurstenen vensterkozijnen, plint, banden, blokken en sierstukken. De horizontale banden van gele baksteen en natuursteen worden “speklagen” genoemd en zijn kenmerkend voor de Vlaamse Renaissance.

Boven de ingang, die voorzien is van een bordes met aan weerszijden toegangstrappen, bevindt zich een topgevel die versierd is met klauwstukkenobelisken en een gebroken fronton. Daarop bevindt zich een beeld van Vrouwe Justitia. De opzet van een hoger gelegen entree naar een bel-etage is kenmerkend voor de Hollandse Renaissance. Direct boven de ingang zien we een cartouche met het wapen van Prins Maurits. Maurits van Oranje-Nassau schonk een bedrag van 2000 gulden “vant maecken van een nieuw stadthuys”. Ook toen al waren overschrijdingen van bouwkosten aan de orde: er moest nog eens 3000 gulden bij van Maurits en ook de bewoners van Klundert moesten bijlappen.

Maniërisme

Melchior van Herbach maakte in Breda de entreepoort van de Vleeshal, nu onderdeel van de gevel van café de Boterhal. Waarschijnlijk was hij ook betrokken bij de bouw van het Mauritshuis in Willemstad en het raadhuis van Ooltgensplaat. Sommigen delen van Herbach z’n werken in bij het Antwerpse Maniërisme. Dat vind ik een wat lastige classificering voor architectuur. Het Maniërisme is een stroming in de schilderkunst, een subcategorie van de late Italiaanse Renaissance.  Er zit een historische negatieve connotatie aan, verbonden met decadentie en verval. Gemeenschappelijke factoren in het werk van maniëristen zijn het lenen van bepaalde poses en technieken van de grote voorbeelden Michelangelo en Rafael.