De Kangoeroe-woning

In een maatschappij die in een rap tempo aan het vergrijzen is, waarin de zorg verandert en waarin senioren veel langer in hun eigen huis willen wonen is er behoefte aan nieuwe woonconcepten.

De Nederlandse woningbouwproductie is lange tijd gericht geweest op grote aantallen en op veel repetitie van typologieën. De huizenkoper is kritisch geworden en mondig. Er wordt om maatwerk gevraagd, al dan niet in een andere procesvorm zoals CPO (Collectief Particulier Opdrachtgeverschap). Het aanbod voor medioren en senioren is op dit vlak nog steeds schraal. Vaak wordt er gekozen voor seniorenappartementen met meer of minder gekoppelde zorgvoorzieningen. De patiowoning is een tijdje populair geweest als levensloopbestendige woning. We kunnen op dit vlak leren van onze zuiderburen.

In Vlaanderen wordt al lange tijd geëxperimenteerd met de zgn. Kangoeroe-woning. De Belg wordt met een baksteen in de maag geboren, hij bouwt het liefst zijn ruime, grondgebonden woning geheel zelf op een vrij kavel. De gedachte van de Kangoeroe-woning is om met de voorzieningen en de organisatie van de ruimten rekening te houden met een toekomstige opsplitsing. Als de medioren die er wonen senioren beginnen te worden trekken ze zich terug op de begane grond. Op de verdieping(en) kan een van de kinderen komen te wonen, die dan mantelzorg kan verlenen. De analogie met de kangoeroe is wat verwarrend misschien, omdat de kinderen in dit buideltje al volwassen zijn.

Woning VHVC in Mol

In 2008 realiseerde ik in een kleine uitbreidingswijk van Mol een Kangoeroe-woning voor een Vlaamse particuliere opdrachtgever. Dat heet daar trouwens een bouwheer. We spreken dezelfde taal, maar het verschil in bouwjargon kan soms tot hilarische verwarring leiden. Vraag een metselaar (amai, ‘nen metser) niet om een steentje weg te hakken, dat dient uitgepikketeerd te worden. De woning heeft op de begane grond een extra badkamer. Wat nu als werkkamer of TV-kamer in gebruik is, kan eenvoudig slaapkamer worden. De grote schuifdeuren naar de woonkamer zorgen ervoor dat een aan bed gebonden bewoner nog steeds contact heeft met de anderen. Vanaf de voordeur leidt een ruime, rechte trap naar wat op termijn een zelfstandige bovenwoning wordt. De grote slaapkamer wordt woonkamer en de aangrenzende linnenkamer wordt erbij getrokken als keuken. Er is een eigen buitenruimte in de vorm van een ruim dakterras. De slaapkamer aan de voorzijde is voor de kinderen. Op de zolder is nog een tweede zeer ruime slaapkamer.

Voor een project in de gemeente Breda, een ruim opgezet klein wijkje vlak bij een van de dorpen, is de Kangoeroe-woning door ons als een van de woningtypen voorgesteld. We zijn nog maar net begonnen met de verkaveling, de architectuur en plattegronden van de woning moet nog ontwikkeld worden. We houden jullie op de hoogte van de vorderingen.

John Körmeling maakt kunst

John Körmeling maakt kunst. Hij is opgeleid als architect, maar heeft bewust gekozen voor het kunstenaarschap. De kunst van Körmeling wordt gekenmerkt door een kinderlijke eenvoud en door humor, melige humor. John moet er vooral zelf heel hard om lachen. Ik ook. Helaas zijn er ook veel mensen die zijn humor niet begrijpen. Die zeggen dat het T-huis niet past in het Valkenberg. Dat er niet goed over nagedacht is en dat er een meer romantisch theehuis had moeten staan.

Körmeling denkt heel erg goed na over zijn ontwerpen. Niet te lang, maar wel goed. Zo valt ook te lezen in “Een Goed Boek” van zijn hand, min of meer een catalogus van zijn vroege werk. Het T-huis heet zo omdat het is gebouwd met T-profielen. Dat je er ook thee kunt drinken is mooi meegenomen, maar niet strikt noodzakelijk. Vond John wel grappig: een T-huis in het park, als antwoord op de roep naar een idyllisch en dus kitsch theehuis. Zo ontwierp hij ooit een reuzenrad voor auto’s, een kilometerslange pier die de kromming van de aarde negeert en daardoor hoog boven zee uitkomt, de breedste (en kortste) snelweg van Nederland, een parkeerkleed waardoor je altijd een parkeerplek bij je hebt. Zijn mooiste plek van Nederland, Een Gat in een Wolk is inmiddels in België te vinden, in het BUKA. Belgen hebben meer gevoel voor humor dan Nederlanders.

Körmeling laat zich inspireren door het werk van de Russische Avant-garde uit het begin van de vorige eeuw. Architecten als Melnikov en Lubetkin. Hij is lyrisch over Sanatorium Zonnestraal van Duiker, citeert met liefde de details van Mart Stam uit de Van Nelle Fabriek en bouwde voor Park Middelheim in Antwerpen een kunstwerk dat een compositie is met kopieën van het benzinestation van Arne Jacobson bij Kopenhagen. Als de constructie licht is, slim en vernieuwend, dan wordt John enthousiast over een gebouw.

Het Bredase T-huis maakt deel uit van een reeks van huisjes in het oeuvre van Körmeling. Bekend is de Draaiende Doorzonwoning op een rotonde in Tilburg. In Rotterdam zette hij zijn Pioniershuisje op het douanekantoor in Pernis. Jaren geleden schreef ik er een stukje over voor het vakblad Archis. In Leiden maakte hij ook uit T-profielen met veel glas de drijvende kaartverkoop voor de rondvaartboten. En onlangs werd hij nogmaals gevraagd in Tilburg, ditmaal om een brug te ontwerpen over de Piushaven. Hij voegde een brugwachtershuisje toe op de plek van het contragewicht. Als de brug open staat kunnen de brugwachters wat bijverdienen, want dan ligt hun terras op hoogte van de mensen die voor de brug wachten.

 

Zijn Magnus Opus in deze reeks is Happy Street, het Nederlands paviljoen voor de wereldtentoonstelling in Shanghai uit 2010. De straat is een beloopbare achtbaan en dat betekent in de wereld van Körmeling letterlijk in de vorm van een 8. De gebouwen gaan mee de lucht in en hangen aan de straat. Happy Street is een 3D architectuurcatalogus, uitgewerkt als karikatuur. Je komt er Rietveld tegen en Mart Stam, Mies van der Rohe en Brinkman en van der Vlugt. Het is levendig, er is overal iets anders te doen en de straat is altijd open.

Het onderscheid tussen kunst, architectuur en gebouwen is niet evident, er is geen harde scheidslijn. Soms ontwerpt een architect een kunstobject, zoals de vuurtoren van Aldo Rossi bij het Valkenberg. Soms maakt een kunstenaar, in dit geval striptekenaar Joost Swarte een ontwerp voor architectuur, zoals de Toneelschuur in Haarlem. Soms ook is het een mix, zoals de Hoge Brug van Eloï Koreman. Nu liggen eigenaar en exploitant van het T-huis met elkaar overhoop, omdat ze het niet eens worden of het T-huis kunst is. Het gaat natuurlijk over centen. De gemeente Breda geeft niet thuis, die vindt dat ze geen partij is. Terwijl ze wel aan de wieg hebben gestaan van dit iconische paviljoen. Ook als is het T-huis een gebouwtje met een duidelijke functie en wordt het intensief gebruikt, het blijft primair kunst in de openbare ruimte. Zo is het ontworpen, als een kunstwerk in een reeks. In Tilburg lopen ze weg met Körmeling en Eindhoven was super trots om tijdens de wereldtentoonstelling in Shanghai door hun stadsgenoot, hun kunstenaar te worden vertegenwoordigd. Is de gemeente Breda ook trots op het kunstwerk van deze wereldberoemde kunstenaar/architect in haar Valkenberg?